ZAND


TAARTJES

Schrijf je mij, ken ik mijn
eigen schrift, eet ik deze vormen.

Ik wil slapen.
Onder een deken.

Wie slikt zulke dingen?

Lees je mij, ben ik een
open boek, aaneengekoekt.


TEGEN MIJN OOR

Tegen mijn oor lagen uw lippen
en ook wij bewogen niet.

Zo kwam uw adem door mijn oor:
als vinger vol met vingerverf, bladderend,
als worm, als wattenstaaf met kervel. Soms

tegen mijn oor voel ik uw lippen nog,
een lucht in mij onophoudelijk
schurend.


DEK ME TOE

Zeg me dat het tijd is, zeg me dat ik moe
ben, geef niet toe aan verzet,
geef me een washand, de beer die ik ken,
wijs me mijn bed, dek me toe,

ruik naar zeep, vertel mij hoe
prinsessen slapen als bij wonder
en verdwijn maar, ga niet te
ver, stop mij onder, dek me toe,

laat mij alleen, strooi in mijn ogen
geen zand, breng geen lied ten
gehore, verzoen mij niet met de nacht,
doe wat ik doe, dek me toe.


Vorige cyclus | Volgende cyclus