TOESTAND


HANGENDE

Ik beweeg niet en niks wijst erop
(behalve de ogen) dat ik niet slaap.
Ik ben dood noch opgezet, het is geen droomsequens.
Ik lijk te rusten, lezer/es, maar ik ben bezig
aan een brief, juist begonnen aan een lied.
Daarbij geen vel papier, geen hand die deze huid betast,
geen pen die door de vingers draait.

(We bevinden ons in de bergen).
Eerder kocht ik de dikste jas, een muts,
een krokodillenleren tas, wendde ik mij wenend
tot een overkoepelend orgaan, verliet ik na een toespraak
van het nodige voorzien mijn vader, mijn moeder, lezer/es,
ontsmette ik het eetgerei, verplaatste ik mij ontevreden
maar zoals nu, zo roerloos was mijn lichaam nooit.
Stond er maar een persoon beneden
aan de voet van de bergen,
die waarschuwt wie vertrekt voor gevaar
wanneer dauw zich op voorwerpen vastzet en bevriest
en evenwichtsstoornissen, tandplak, overmoed, gebrek aan durf
zich voordoen en die meedeelt dat geloof in samenhang
in dit geval aangewezen is.


ZONDER HANDEN

Een achtarmige snelbinder zo aangespannen
dat het vanwege de haken en de spankracht
gevaarlijk is de ogen er dichter bij te houden
dan nodig om het te zien: dit is het beeld
dat u kan helpen in te komen in wat volgt.
Breng het niet in verbinding met uzelf.
Het zijn mijn kaken.
Mocht ik jonger zijn en leven in een ander tijdsgewricht,
ik had u niet geschreven. Ik had u aangeraden
uit de buurt te blijven, de spieren van uw buik
een uurlang te masseren of de beweging van de mond
als iets beperkts te zien. Ik had u links en rechts
gekust. Ik had u
op het hart gedrukt wiens adem naar bagage ruikt, te mijden.

 

 

 

Dit gedicht beluisteren (op Lyrikline.org)


ZONDER HANDEN

De noodzaak zich te concentreren op wat komt,
op wat vaststaat: het idee van de bankschroef hieronder.
De stang - het moet winter zijn - doet onmiddellijk denken
aan de stok van de majorette, die zowel in actie als neergezeten,
bijvoorbeeld om iets te drinken, voor de rest buiten beschouwing blijft.
De stang hangt naar beneden, schuins.
Haar aan te raken, naar boven te trekken, haar met kracht
te beroeren: men haalt het niet in zijn hoofd.
Zo koud dat het is.
Ik ga heen en weer.
Vergeet haar. (Ik spreek mezelf toe).
Vergeet het.
Het is dat ik niks aan de controle laat
ontsnappen.


ZONDER HANDEN

Men kan de bankschroef niet los zien
van wat er in de hersens hard wordt
na enige malen herhaald te zijn.
Kunt u ertegen?
De factor winterweer is vervangbaar. Eventueel
trek ik in tijgervel een trein voort met mijn tanden.
Een behandeling! Een prothese! zingt men.
Hij wil gewrichtloos zijn! Dat men hem helpt!
Het kan nog alle kanten op!
Wat zou u doen?
Tenzij u het bovenstaande ongelezen liet,
kunt u enkel een spleet zien
en niet het massieve geheel
dat ik weet niet hoe klem zit.


OM U TE HELPEN

Gij, ik gebruik de gij-vorm om u aan te spreken,
gij houdt de voerman voor geleerd die wel op enge wegen keert.
Maar door uw positie nu ontkent ge deze frase.
Ge zijt onvriendelijk, gij denkt de mond als een inwendig veld,
gij wijst met woorden als ‘ijs’ en ‘defect’ op een bizarre omgeving,
maar ik vraag u: ‘wolven’ en ‘een kabelbaan’, hoe rijmt ge dat?
Kunt ge spreken? Hebt ge geen honger?
Kunt ge uw mond niet open doen?
Zeg mij wat gij in het vervolg van plan zijt.
Kleefkruid plukken, een fantasie-uniform aantrekken,
aan helikopters denken, naar de lucht kijken, een meetlat
verticaal in uw mond blokkeren of zoals de wolven op uw horloge kijken!
Ge moogt het weten in deze aftiteling: ik ben er niet
gerust in.

De nadruk dient gelegd
op de kabelbaan. Ziet ge ze?
Vergeef uzelf uw valse start,
de weggelegde kettingbrief, uw binnensmondse vergadering.
Ik persoonlijk zou dit hoofdstuk afsluiten. Met iets visueels,
bijvoorbeeld op dit ogenblik een cliffhanger of tussen haakjes
iets als u hoorde het cliffhangerslied!
 


Vorige cyclus