Dirk De Geest - De drie-eenheid van de Vlaamse poëzie. (2006)

DE GEEST, Dirk - ‘De drie-eenheid van de Vlaamse poëzie’. In: De leeswolf, 2006/6 (september), p. 458-461.

___________________________________

  
[…]

De toestand van de poëzie in Vlaanderen is dus verontrustend. En dat is maar goed ook. Poëzie hoort zich immers niet neer te leggen bij de dagelijkse gang der dingen, en al evenmin is ze het meest geschikte medium voor radicale maarschappijkritiek of alternatieve utopieën. Goede poëzie is niet in de eerste plaats pro of anti, maar morrelt aan de taal en aan de grenzen van onze ervaring en onze overtuigingen. ‘Verontrusting’ is dan ook een bijzonder fraaie omschrijving voor wat poëzie bij de lezer vermag. Tijdens het lezen verliest hij of zij onbestemd alle houvast, drijft als het ware voort op de woorden en de klanken, en na het lezen (en bij iedere nieuwe lectuur) wordt dat effect nog een tijdlang volgehouden. Het gevolg is een zekere rusteloosheid die allerminst vrijblijvend is, maar die tegelijk niet alles ontwricht.

Het bovenstaande is een credo, een programma dat door uiteenlopende types van dichters, wars van poëticale voorkeuren of bijziendheid, op voortreffelijke wijze wordt gerealiseerd. Vanzelfsprekend hebben de zgn. ‘postmoderne’ dichters getracht zich die gedachten exclusief toe te eigenen, maar ook bij hen is er - gelukkig maar - geen monopolie op de taal en de lyriek. Momenteel zijn zo uiteenlopende ‘jonge’ dichters als Geert Buelens, Bart Meuleman, Herlinda Vekemans, Peter Theunynck, Paul Demets en vele anderen intens op zoek naar de meest geslaagde uitdrukking voor hun besognes. Daarmee treden zij in de voetsporen van de ‘Twist met ons’-generatie van postexperimentelen, de groep waartoe Dirk van Bastelaere, Erik Spinoy, Charles Ducal en Bernard Dewulf (wat toevallig, maar kom) doorgaans gerekend worden, samen met Peter Verhelst, die wat later op het voorplan verscheen. Wat hen bindt is een ‘postmoderne’ houding van scepsis en gedrevenheid, een soort van illusieloze ethiek. Veel minder dan hun directe voorgangers gaan zij echter uit van theoretische dogma’s, een duidelijk groepsbewustzijn of vaste overtuigingen, en nog veel minder laten zij zich verleiden tot polemiek en getwist.

In dit artikel wil ik uit dit gamma van boeiende dichters drie figuren uitlichten. Paul Bogaert, Peter Holvoet-Hanssen en Jan Lauwereyns hebben elk reeds een belangrijk oeuvre op hun actief. Met enige goede wil staan ze voor de verschillende types van poëzie die momenteel in Vlaanderen de boventoon voeren, maar nog altijd te weinig bekend zijn bij het lezerspubliek. Omwille van de overzichtelijkheid heb ik ze gegroepeerd rond de drie-eenheid van de vader, de zoon en de geest…

Paul Bogaert: de ‘vader’

De rol van de ‘vader’ in dit uitgelezen gezelschap wordt met brio vervuld door Paul Bogaert, niet omdat hij de oudste, de conservatiefste of de meest norse van de hier besproken dichters zou zijn, wel integendeel. Vooral zijn weloverwogen werkwijze maakt hem tot iemand die qua toon en thematiek aansluiting zoekt bij het zogenaamde ‘gezaghebbende’ taalgebruik, zij het vanuit een fundamentele ironische (en daardoor ondermijnende) opstelling.

Die uitzonderlijke bedachtzaamheid blijkt allereerst uit het trage ritme waarmee Paul Bogaert - zeker in vergelijking met de meeste van zijn collega’s - geduldig vijlt aan een eigen poëtisch oeuvre. Na zijn debuut, Welcome hygiene (1996), duurde het niet minder dan zes jaar voor zijn tweede bundel, Circulaire systemen (2002) verscheen. Beide [?] bundels werden overigens bekroond, en het lijdt weinig twijfel dat ook Bogaerts jongste bundel AUB (2006) binnenkort in de prijzen zal vallen. Bij hem gaan concentratie en geduld immers steevast samen met een intense literaire kwaliteit.

Diezelfde ‘vaderlijke’ drang naar beheersing en controle is trouwens merkbaar op alle niveaus van de taal en het vers. De bundels hebben alle een doordachte structuur, waarbij de verzen vaak in cycli met elkaar worden verbonden; in zekere zin zijn ze daardoor ‘circulaire systemen’, die berusten op een progressieve maar evenzeer op een regressieve beweging; de gedichten bouwen voort op elkaar, maar vragen telkens ook om een hernieuwde lectuur van wat eerder werd gezegd.
Ook binnen het vers lijkt alles weloverwogen: het ritme, de klank, de fragmentatie van de tekst, de verspringingen tussen versregels en strofen dragen alle bij tot de functie van deze teksten. Hetzelfde geldt overigens ook voor de relatie tussen de teksten en de titels; in Bogaerts jongste bundel zijn die bijvoorbeeld onderaan op de pagina afgedrukt (of gaat het om reekstitels?), terwijl in de inhoudstafel de beginregel van ieder vers is opgenomen. De grenzen van de tekst worden zo continu beklemtoond én bevraagd. Die spanning tussen het aparte vers, de geïsoleerde versregel, en de ruimere, nauwelijks af te bakenen context lijkt mij zelfs van cruciaal belang voor de lyriek van Bogaert. Het gaat hem immers om de problematiek van het spreken zelf: Wie bepaalt wanneer en hoe er gesproken wordt? Wie ligt aan de oorsprong en aan het eindpunt van de communicatie?

Die drang naar orde verhindert bijgevolg geenszins dat in deze poëzie die controle zelf uit handen wordt gegeven. De toon van de gedichten is immers tegelijk ontwapenend en ontnuchterend. Het anonieme taalgebruik, dat als het ware afkomstig lijkt van het vaderlijke gezag, de wet of het collectieve ‘men’, ontspoort voortdurend. Tegelijk probeert het dichterlijke ik vruchteloos een eigen stem te vinden in een taal die niemand zelf kan uitvinden, die behoort aan iedereen en daardoor het bezit is van niemand. Op die manier krijgt de persoonlijke uitdrukking onvermijdelijk ook iets algemeens, iets machinaals. Typerend is de manier waarop in Bogaerts poëzie algemene waarheden en principes, uitgedrukt in een soort van tijdloos heden, worden afgewisseld met passages waarin een ik, vaak tegen beter weten in, tracht te spreken in eigen naam.

Een van de indringendste voorbeelden daarvan is het lange gedicht ‘Toespraak‘ waarmee de nieuwe bundel AUB afsluit, een tekst die eerder al bibliofiel werd uitgegeven. Het vers telt 26 vijfregelige storfen én een afsluitende langere strofe. Blijkens die doordachte structuur lijkt het erop dat het gesproken woord zoveel mogelijk wordt gecontroleerd en beheerst, maar anderzijds gaat het net aan het einde ogenschijnlijk mis; het venijn zit ook hier in de staart. Die spanning tussen cerebrale retoriek en ontmaskerende ontregeling wordt in de tekst zelf doorlopend subtiel gearticuleerd. Daardoor ontstaat een bijzonder ironisch (soms ronduit hilarisch) contrast tussen enerzijds de pogingen van het dichterlijke ik om vooral een goede indruk te maken, om zijn publiek te overtuigen, om alle factoren uit te schakelen die de aandacht eventueel kunnen verstoren, en anderzijds de wijze waarop hij zijn onzekerheid voortdurend verraadt. Typerend daarvoor is de aanhef:

Ik zal u toespreken in het kader van de nacht
waarin men niet kan slapen.
Ik zal niet ontkennen
dat ik u daarvoor nodig heb en
en dat ik u daarvoor, zeker in het begin, in de ogen kijken zal.

Mijn stem zal op u gaan liggen
als een deken of tien.
Ik zal het dan in uw aanwezigheid
over de plannen en de daden hebben
die niet te rijmen zijn.

[…]

Ik zal niet ontkennen
dat het een toespraak is, integendeel.
Ik zal spreken over de vijver van de trucs
met daarin onder andere:
de truc van de herhaling en de terreur van het refrein.

Dat dat de vijver is waarin ik vis.
Ik zal het kort over de plannen en de daden hebben
die niet te rijmen zijn.
Ik zal u boeien aan de hand van parafrasen
van de kern van het betoog.

Wat hier gebeurt met de taal lijkt onopvallend, maar is bij nader toezien bjizonder trefzeker. Aan de ene kant wordt een toespraak gehouden. Er is immers een ik, die ‘u’ aanspreekt en nogal geforceerd allerlei pogingen onderneemt om de aandacht van zijn publiek gaande te houden. Dat blijkt o.m. uit de assertieve toon, met de frequente aanhef ‘ik zal’, maar door die opzettelijke retoriek wordt net de kwetsbaarheid van de spreker, zijn volstrekte afhankelijkheid van zijn publiek, des te duidelijker. Zonder die toehoorders is er geen toespraak en niet eens een redenaar.

Aan de andere kant wordt hier ook een soort van traktaat voorgesteld over het spreken zelf. In dat opzicht is het veelbetekenend hoe hier niet gewoon wordt gesproken, maar steevast in de toekomende tijd een betoog wordt aangekondigd, dat eigenlijk al volop bezig is. De retorische trucs worden aangegeven en ten overvloede uitgelegd, waardoor ze, paradoxaal genoeg, eigenlijk niet langer vat hebben op het publiek. Daarbij komt nog dat het hier van meet af aan gaat om poëzie, een vorm van spreken die doorgaans geassocieerd wordt met beelden, met omcirkeling, met indirectheid en onverstaanbaarheid. Al die paradoxen maken Bogaerts tekst tot een bijzonder gelaagd weefsel dat, ernstig en ironisch, met twee stemmen tegelijk spreekt. Een stem als een deken is misschien nog behaaglijk, maar tien dekens is van het goede te veel; dingen ‘die niet te rijmen zijn’ passen niet bij elkaar, maar zeggen ook letterlijk iets over poëzie; de kern van een betoog parafraseren is het niet rechtstreeks uitspreken (en dus versluieren), en dan is er nog het web van eindeloze herhalingen en refreinen dat, blijkbaar tegen beter weten in, aan deze tekst coherentie moet verlenen. Kortom, deze toespraak is volstrekt ineffeciënt en enkel daardoor zo krachtig als lyrische uitdrukking. Precies die wisselwerking tussen onhandige clichés en vernieuwende beelden, tussen algemene waarheden en banaliteit, tussen controle en individuele vrijheid maken de poëzie van Bogaert voor de lezer tot een waar festijn, zij het met soms wat wrange nasmaak.

[…]