Het verblijf elders (2000)

Verschenen in: DWB, 2000/5, p. 568.
————————————–

Niets in mij heeft zin om een tekst te schrijven over wat of hoe ik schrijf of wil schrijven. Het lijkt mij op dit moment nergens voor nodig. Ik schrijf dezer dagen liever gedichten dan teksten over het schrijven of lezen van gedichten.

Ik wil het lezen van een gedicht wel vangen in een beeld. Bijvoorbeeld door het gedicht te vergelijken met een lopende band op een luchthaven waarvan reizigers bagage afgrissen zoals lezers betekenissen. U kent dat. Dat wachten. Dat kunstlicht. Die lichte spanning. Dat gat waar alles uitkomt, die plastic flappen. Die onherroepelijke volgorde. Dat ogenschijnlijk gecontroleerde. Dat willen grijpen, de voorbereiding erop, de gretigheid. Dat scherp staan. De constante scanning. Dat elk voor zich. Wat men denkt te zien. De op elkaar lijkende stukken. De compleet andere dingen. De vergissing. De onderhuidse haast. Het voorlopig nog ontbrekende. Het ontbrekende (ook voorlopig). De angst voor het losse.

Vooral: die onophoudelijke link met wat zal komen (de bagage, het verblijf elders) en met wat voorbij is (het al weggegriste, de bagage, het verblijf elders). Dat onherhaalbare. De transitsfeer. Dat besef van het toenemend stinkende van het niet-geopende.

Het is uiteraard een vergelijking, een verglijding die niet vol te houden is.






Recensies / Literaire kritiek waarin bovenstaande tekst ter sprake komt