‘U hoorde het cliffhangerslied’

Onderstaande recensie over de bundel WELCOME HYGIENE van Paul Bogaert werd gepubliceerd in: De Volkskrant Boeken, 31-01-1997, p. 31.

WELCOME HYGIENE. Gedichten.

‘U hoorde het cliffhangerslied!’

Piet Gerbrandy

De meeste gedichten in Welcome hygiëne van Paul Bogaert zijn niet alleen op het eerste, maar ook op het tweede tot en met vijfde gezicht heel ondoorgrondelijk. Waarom zou je jezelf kwellen en leg je de bundel niet terzijde? Wat heeft Bogaert te bieden? Dit is het titelgedicht van de bundel:

Wat je zei was onverdund.
En het bleek ook efficiënt:
ik zie niks meer. Mijn hoofd is proper
nu en wit. Het is gedaan.

Ik duwde eerst mijn ogen in
en hield mijn hoofd naar achteren.
Dan goot ik de gaten vol
met eau de javel en white spirit.

Dat alles weggaat is een waan.
Het is de lucht die ijlig is.
Geef me de tijd om bij te komen.

Begraaf me waar ik water
vroeg en laat me zijn – buiten bereik –
van vis.

Wat maakt dit tot een briljant gedicht? In de eerste plaats de subtiele muzikaliteit. In de tweede plaats het uitgekiende spel met enjambement en zinsbouw, waardoor een dwingende meerduidigheid ontstaat. Zo zou in de eerste regel het woord ‘onverdund’ ook tussen aanhalingstekens gedacht kunnen worden, is ‘nu’ in de vierde regel misschien niet alleen tijdsbepaling, maar ook predikaat, en zijn de werkwoordsvormen ‘vroeg en laat’ tevens bijwoorden van tijd. In de derde plaats zijn de eerste twee strofen – of moeten we ‘octaven’ zeggen? – niet alleen ongehoord schokkend, maar in hun nuchtere formulering ook vreselijk geestig: de woorden ‘efficiënt’ en ’spirit’ zijn onder het vakmanschap van deze dichter vlees geworden.

Wat het gedicht meedeelt, als dat überhaupt een zinnige vraag is, valt minder gemakkelijk te bepalen. Op vele bladzijden zoekt de dichter naar rust en reinheid, naar stilte, naar verlossing uit de stinkende materie. Reeds in de eerste afdeling, met de grimmig-culinaire naam ‘Geef vis altijd een bed van ijs‘, wordt getracht bederf te voorkomen, terwijl een associatie met het christelijk symbool vermoedelijk niet verboden is. Elders is sprake van ‘de kelderlucht die ik verspreid’.

En hier spreekt iemand tot een vrouw met braaksel aan haar lippen: ‘Trager moet gij leren inhaleren/ als ik uw natte lippen kus/ (. . .) gij moet de opening van de verstuiver/ in de mondholte houden en drukken/ en slikken, niet stikken.’

De spelling van ‘welcome’ in de titel van de bundel komt terug in het gedicht ‘Calm ic‘, woorden die aan een middeleeuwse mysticus ontleend zouden kunnen zijn. Wie ‘ik’ als ‘ic’ spelt, ligt overhoop met zijn identiteit of met zijn tekstverwerker, of hij lijdt aan afasie: ‘Ic hoest./ Nooit krijg ic het losgeweekt// zodat ik verder kan./ Ic mag mijn mond niet open doen/ of ti ti ti ti’.

Dat Bogaert zijn klassieken kent, blijkt ook uit de meest toegankelijke afdeling van de bundel, ‘Finale, waarin de eindstrijd van een dansconcours in een danse macabre overgaat. De vier gedichten zijn geheel in terzinen geschreven, maar vooral de eerste twee strofen roepen door hun rijmschema Dante’s Inferno in gedachten. Meteen daarna wordt duidelijk dat we ons inderdaad in de hel, of op z’n minst aan de rand van het graf bevinden: ‘De jury die dan zitting houdt./ Voor de camera lachen zij – de zakken vol obolen -/ zichzelf deskundig weg.// Dan weer die open plek nu hel verlicht/ door spots: de grond./ En dan – applaus – een donker gat’. Maar de dans is ook een laatste paring, een Last Tango in Paris: ‘Getuigt// dit zweet van vurigheid?’. Wanneer het ‘perfecte paar’ ten slotte gaat zitten, neemt tussen hen in een schikgodin plaats: ‘Doet zij gif in citrusvruchten/ of hanteert zij daar een schaar?’

Niet alleen schikgodinnen hanteren scharen. De dichter doet het zelf ook. In ‘Permanent‘ vergelijkt hij zijn activiteit met die van een kapper: ‘Ik bedien mij van twee middelen:/ De drang naar het beton,/ de mogelijkheid onwel te zijn./ Maar ook: de indolentie van de gel,/ de neiging nooit te drogen.// Men moet zijn eigen barbier zijn.’ Want wie blijvende poëzie wil schrijven, moet de betonnen onwrikbaarheid van een hemelsblauw permanentje met de levende vochtigheid van brillantine met elkaar weten te verenigen.

De bundel, het opmerkelijkste debuut sinds dat van Nachoem Wijnberg, eindigt zo: ‘Ik persoonlijk zou dit hoofdstuk afsluiten. Met iets visueels,/ bijvoorbeeld op dit ogenblik een cliffhanger of tussen haakjes/ iets als u hoorde het cliffhangerslied!’ Vol spanning wachten wij op de volgende aflevering.

GERBRANDY, Piet – ‘U hoorde het cliffhangerslied!’ – In: De Volkskrant, 31-01-1997, p. 31.