Bijtende middelen

Onderstaande recensie over de bundel Ons verlangen van Paul Bogaert werd gepubliceerd in: De Groene Amsterdammer, 7-11-2013. (pdf)

Ons verlangen. Gedichten.

Bijtende middelen

Piet Gerbrandy

Tegenover geluk en rampspoed staat de taal machteloos. De gevoelens zijn zo hevig, de gebeurtenissen zo ingrijpend dat spreken geen zin heeft. Wat zou je erover moeten zeggen? Goede gedichten over intense euforie en peilloos verdriet zijn dan ook uitermate zeldzaam. Maar in de meeste levens vormen dergelijke ervaringen slechts incidentele pieken en dalen, waar de rest van het bestaan minder heftig verloopt. Wat niet betekent dat men er niets beleeft. Integendeel, onze stemming wordt bepaald door het kleine en schijnbaar onbeduidende, en daarover valt veel te zeggen.

De nieuwe bundel van Paul Bogaert (1968) gaat over ongemak. Je loopt rond in een wereld die steeds net niet aansluit bij wat je zou willen of verwachten, je verlangens worden soms een beetje, maar nooit écht bevredigd, in gezelschap zeg je steevast de verkeerde dingen, je ergert je aan penetrante geluiden en nergens voel je je helemaal thuis. De sprekers in Bogaerts gedichten zijn ten prooi aan een vervreemding waarmee Marx en Freud wel raad zouden weten. Met name de omgang met het andere geslacht is een permanente bron van verontrusting, onbegrip en teleurstelling.

Als om te suggereren dat het zou helpen enige orde in het bestaan aan te brengen, heeft Bogaert de bundel symmetrisch gerangschikt in reeksen van respectievelijk twee, negen, elf, elf, negen en twee gedichten. De afzonderlijke compartimenten vertonen steeds een associatieve samenhang, soms is er zelfs sprake van een vervolgverhaal, maar de algehele structuur lijkt toch vooral arbitrair, een imaginair houvast in een wereld waarin alles en iedereen misplaatst is. Veelzeggende is da alle reeksen dezelfde titel hebben: ‘Onzekerheden’.

In het eerste gedicht, dat Loskoppeling heet, wordt iemand gefêteerd. De organisatie is voortreffelijk, het gezelschap wekt de indruk zich niet al te zeer te vervelen, maar de man die geacht wordt de spil van de feestelijkheden te zijn slaagt er niet in contact te maken met wie dan ook. Zonlicht glijdt ‘door de luxaflex over de kipcurrysalade’, de aanwezigen ‘ruilen quotes en modekleuren’, de spreker draait zich om in de quatre-mains van de dag’. Het wal maar niet leuk worden:

[…]
Omringd door all-rounders en handjeklapspecialisten
ben ik nooit meer alleen.
Bedenkingen zijn voor later. Besmettingen ook.
In de leniging van de reële noden leer ik soepel zijn.
[…]

Bogaert roept steeds de suggestie op van een situatie die min of meer herkenbaar zou moeten zijn, maar door de personages als vreemd wordt ervaren. Absurditeit is echter een te groot woord voor de pijnlijke misverstanden die het dagelijks geschipper kenmerken.

Geestig en vilein laat Bogaert zien hoe gezondheidszorg en bedrijfsleven hun best doen het bestaan als draaglijk en transparant te presenteren. Zouden we kunnen leren ons staande te houden? ‘Al wie opgewekt is’, aldus een cursusleider, ‘mag naar zaal Paardenbloem’. Het geldt ook voor iedereen die sterk en spontaan is, en ook ‘sociale of stoere personen gaan met Geoffrey mee’. Alle anderen blijven hier ‘om de grondverf / om te roeren en daarna een dunne laag aan te brengen’. De instructies worden echter onderbroken:

[…]
Daar heeft iemand een vraag, graag in de loopmicrofoon.

Wat met de zelfverzekerde mensen?
Nog even jullie aandacht. Ook zelfverzekerde mensen mogen
Geoffrey of Sylvia volgen naar de Paardenbloem.

Even later wordt een poging gedaan de emotionele werkelijkheid in grafieken te vangen. ‘In bonte, imposante rijen / groeien / de driedimensionale kolommen: // onmisbare informatie / uit het spectrum van blijdschap tot leed’. Alles ‘is uitschuifbaar van 0 tot 100%’. Een pagina verder ontaardt de complexiteit van de grafische weergave in een pandemonium van ‘geel-groene geisers, geflankeerd door dunne blauwe spiralen’, een ‘plotloos miniballet van violette pionnen’ en een door ‘uitzinnige zwiepers gegeseld potpourri / van opschietende, elkaar kruisende lijnen’. Inderdaad, wie recht wil doen aan de dynamiek en de veelvormigheid van de realiteit, kan niet anders dan de chaos reproduceren.

Hier en daar groeit het nijpend ongemak uit tot angst, haat en geweld. Een zeeman vist een onderkoelde vrouw uit het water om haar vervolgens bruut te verkrachten. Een heks pest iemand het bloed onder zijn nagels vandaan ‘tot er niets meer mogelijk was / tenzij het slechtste / in elkaar naar boven halen’. Het leven is een boze droom waarin je uiteindelijk ‘naar de bijtende middelen grijpt’ en blinde paniek een plaats moet geven.

Wat vermag de poëzie? De dichter is een observator:

[…]
We zien jou niet aan de lachband staan.
Misschien is anderen in het oog houden meer iets voor jou
of iets vinden in stilte en het pas later verwoorden
of iets met afstand bewaren. […]

Hij kan vandaag beginnen met ‘het aanpassen van kleinigheden en met iedereen / overal af te luisteren’. Daarmee draagt hij onwillekeurig bij aan het onbehagen dat de maatschappij beheerst. De literatuur maakt blijkbaar deel uit van een systeem dat niet van binnenuit valt te manipuleren.

Er is weinig hoop dat het ooit beter wordt. De tijd sloopt alles en de poëzie biedt geen soelaas. De kans dat je ‘bijstand / in de kleine letters vindt, is klein’. De clausules van de overeenkomst waren immers genadeloos:

[…]
Je hebt jezelf
akkoord verklaard met betrekking
tot lichaamsdelen zoals
bepaald in hun terugkeercontract.


Een hele uitleg (in een saus van vleierij),
gevolgd door een ellendige rondedans (in klederdracht)

tot van links (een zucht en de dansers zijn weg)
een geblinddoekte Obesitas
en van rechts een messenwerper
de contouren van de liefde komen evoceren.

Hij snijdt tot slot haar blinddoek los.
Zij klopt met haar blinddoek
het strovuur dood en zo ook het waarom van de dag.

Een hologram van fulltime-equivalenten.

GERBRANDY, Piet – ‘Bijtende middelen’ – in: De Groene Amsterdammer, 7-11-2013.