GEEF VIS ALTIJD EEN BED VAN IJS


1

Mijn hand gaat heen en weer als tegenover spinnen.
Ik heb hen kinderlijk lief,
die achter glas niet in het echt te zien zijn.

Met dit gebaar stel ik mij voor
dat niemand iets zegt. Mijn vingers zijn hinderlijk
magnetisch, ik wijk af, ik leg ze weg

waardoor ik weer de rust verstoor.
De stank die in de kamer hangt,
zal geleidelijk verdwijnen.


2

Ik spreek over de vrieslucht
(met opzet maakte ik alles nat)

en over u
waarmee ik mijn achterhoofd behing

toen ik mijn hoofd afwendde om niet te zien
wie het was die mij toen ik dit deed, verving.


3

Ik lik
en wacht ingehouden af.
Ik kan lang ingehouden wachten.

Worden nu ook uw lippen hard
en uw ogen spiegelglad?
Mijn hersens schuiven al,
het zijn de bewegingen van straks.

Ik wou dat ik mijn doel vergat.


Volgende cyclus

Recensies / Literaire kritiek waarin deze cyclus ter sprake komt