Cathérine De Kock - ‘Een storing, dat kan altijd’. (2007)

DE KOCK, Cathérine - ‘Een storing, dat kan altijd’. In: Poëziekrant, jg. 31 (2007) 3 (april-mei), p. 22-25.

_____________________________

Na zijn debuut Welcome hygiene uit 1996 en de opvolger Circulaire systemen, die genomineerd werd voor de Hugues C. Pernathprijs, is Paul Bogaert (1968) terug met een boeiende bundel over schijn en manipulatie. Niets is wat het lijkt in AUB: wat we beleven of zien, bedriegt ons waar we bij staan.

In AUB ontmaskert Paul Bogaert alledaagse situaties in een alles behalve alledaagse taal. Dat doet hij aan de hand van 39 gedichten, aangevuld met een herwerkte versie van het lange gedicht ‘Toespraak’, dat in 1998 al bibliofiel uitgegeven werd. De thematiek van het wantrouwen wordt weerspiegeld in het ingewikkelde taalspel. Achter een schijnbaar eenvoudige zegging schuilt een complex kluwen van beelden, motieven en associaties die elkaar doorkruisen, opheffen en versterken. De metafoor van poëzie als een rozenkwekerij, is ongetwijfeld van toepassing op AUB.

Dit perceel
wordt het hart
van een rozenkwekerij.
Elk gangpad wordt betegeld.
Elke kruising krijgt een catchy naam.
Een machine die tegelijk bindt en benevelt.
Niets gaat hier buiten zonder druppels dauw.
[31]

Bogaert laat gebruikelijke bewegwijzering voor de lezer achterwege, zoals titels en de klassieke indeling in netjes opeenvolgende cycli. Cycli, mét ‘catchy’ namen zoals ‘SOS Sahel’ en ‘Handelaars bereikbaar’, zijn er wel –of je moet ze als een lang, in stukjes gehakt gedicht bekijken -, maar worden onderbroken door de cyclus ‘Bang voor […] politie’, dat zoals een reclameblok de stroom van gedichten verstoort. Bovendien stippelt Bogaert een aantal betekenislijnen uit, die vaak meteen al in het gedicht vergroeid raken met andere lijnen. De rozen overwoekeren het pad: de lezer raakt op de duur verstrikt in taal en moet zich zélf zijn weg banen door betekenissen. Of het vergrootglas van de dauw de lezer toelaat om de werkelijkheid helder te zien of die net alles vervormt, is niet duidelijk. AUB is immers een taalmachine die bindt en benevelt: Bogaert oppert om zichzelf daarna meteen te ondergraven en laat de lezer stuurloos en verdwaasd achter. Dat wordt ook geïllustreerd in het tweede gedicht van ‘Puinzak’.

Dit is de eeuw van de knoppen.
Elke foto wordt sceptisch bekeken,
ook al toont ze de realiteit.
Flatteus verlicht en charmant gekadreerd
lijkt elke zwembad de moeite (privé).

Dit is de eeuw van de weldoeners
en de doorligwond. Echte schapenvacht
vermindert de schuifkrachten.
Synthetische schapenvacht wordt afgeraden.
Dit is de eeuw van de moeilijk te sluiten peignoir.

Dit is de eeuw ook van medleys helaas,
van spierwitte luxe en voodoo en stocks.
Elke dag sterven er mensenvrienden.
We zijn zeker van bijkans niks.
Maar we tonen ons lichaam zoals het is.

  
[2]

Het gedicht staat bol van tegengestelde statements. We leven in een tijd waarin vrolijk bewerkt, gesampled en verdraaid kan worden door op enkele knopjes te duwen. Vrijwel niets is zeker, maar een foto toont, ondanks het postmoderne scepticisme, de werkelijkheid. Meteen voegt Bogaert eraan toe dat die foto zodanig gemanipuleerd kan worden dat elk zwembad indrukwekkender lijkt, in pakweg een reiscatalogus, dan dat het eigenlijk is. Vrijwel niets is zeker, maar onze buitenkant, ons lichaam, tonen we dan weer zoals het is. Het mag duidelijk zijn dat de dichter de waarheid in het midden laat. Op die manier maakt hij, paradoxaal genoeg, met méér nadruk duidelijk dat er geen zekerheden zijn, dan door dat eenvoudigweg mee te delen. De regels die uit een reclamefolder van een schapenvachtfabrikant lijken geplukt te zijn en associaties oproepen met ‘een wolf in schapenvacht’, versterken nog meer het gevoel dat alles slechts schijn is.

Bogaert vertrekt in zijn bundel van herkenbare, zij het ietwat gênante situaties, maar die soms erg abstract worden beschreven en daardoor ver staan van anekdotiek. Leurders die je op restaurant zomaar bloemen willen verkopen, vrijwilligers die aan je deur geld vragen voor het goede doel, mensen die ongevraagd je autoruit schoonmaken terwijl je op een kruispunt in de file staat, het zijn stuk voor stuk situaties die iedereen wel al eens heeft meegemaakt en meestal gepaard gaan met een gevoel van ongemakkelijkheid of gêne. Net daarom zijn ze voor de dichter interessant omdat de mens op zulke momenten een podium betreedt waarin schijnbewegingen, platitudes en conventionele sociale omgangsvormen hoogtij vieren. Niet alleen diegene die geconfronteerd wordt met een vragende hand, neemt daar zijn toevlucht toe, ook diegene die zich opdringt, raakt erin verstrikt. Dat wordt onderstreept door vaak van perspectief te wisselen, soms ook binnen het gedicht, waardoor verwarring ontstaat over welke ‘ik’ nu aan het woord is: diegene die aanbiedt of diegene die moet reageren op het voorstel.

De gedachte dat schijn en manipulatie onvermijdelijk deel uitmaken van het leven, wordt benadrukt door jargon uit film en fotografie te incorporeren, zoals in volgende regels uit de cyclus ‘Pour Madame’. Wanneer een bloemenverkoopster de ikfiguur rozen wil verkopen tijdens een intiem tête-à-tête op restaurant, wordt hij overvallen door gêne en probeert hij de leurster, tevergeefs, te negeren door naar de menukaart te staren. ‘Ik dweil met mijn ogen de kaart af / in alsmaar heter zijdelings spotlicht.’ [3] Het voelt aan alsof hij zich op een toneelscène bevindt en het gesprek met zijn tafelgenoot ‘wordt film // met tergend dikke nevenplot’ [4]. De grenzen tussen werkelijkheid en fictie worden vaag.

Bogaert injecteert een shot vervreemding in deze herkenbare situaties door het jargon en de standaardzinnetjes die ermee geassocieerd worden naar zijn hand te zetten. Of het nu gaat om taal die verband houdt met liefdadigheid, de reclamewereld, de politie of de medische wereld, Bogaert weet als geen ander zijn eigen talig universum te spinnen van verschillende werelden en registers, al raak je daar als lezer ook soms het noorden bij kwijt. Bovendien ontziet hij niemand. Zelfs het moeilijk verstaanbare taaltje van de asielzoeker ontsnapt niet aan Bogaerts recyleerdrang. De dichter put vooral uit wervende teksten die mensen aanzetten om geld uit te geven om kritiek te geven op hun manipulerende verkoopstechnieken. Soms leveren de verwijzingen naar dergelijke verkoopspraatjes poëtische beelden op zoals ‘[e]en tijdelijk aanbod van meiklokjes’ [13], maar meestal zorgen ze voor ironie en bijtende humor: ‘(…) graag alvast bedankt een klein bedrog. (…) Doe het vandaag nog.’ [6]. Van de herkenbare appelerende zinswendingen tot de kenmerkende onderstrepingen, Bogaert schrikt niet terug om ze in zijn eigen poëtische mix te draaien. Het woordspelletje tussen bedrag en bedrog maakt het duidelijk dat de dichter een bewonderswaardig geacht verschijnsel als liefdadigheid met argusogen bekijkt. Dat valt ook af te leiden uit zijn commentaar op het fenomeen van ‘de vrijwilliger’.

De vrijwilliger komt goed over
als het waait. De vrijwilliger draagt
opvallend een badge, een ruime jekker
met daarbij een buideltas, vakantieachtig
aangespannen rond de lenden, waarin reeds meerdere giften.

Vrijwilliger zijn seksueel
heel actief. Ze lopen vaak en graag
volledig naakt, of toch met de love handles bloot.

Mijn concrete vraag:
kent ú de Stichting Zonlicht vzw?


[9]

In het gedicht bewijst Bogaert zijn uiterst scherp waarnemingsvermogen en ontleedt hij de vrijwilliger als een volleerd bioloog. Een fraai beeld schetst hij niet. De goede bedoelingen van de vrijwilliger worden ter discussie gesteld: het is alsof die er alles aan doet om zoveel mogelijk vertrouwen te wekken bij zijn medemens. Zo maakt de vrijwilliger bij slecht weer een betere indruk, want wie dan de straten op wil, moet wel erg gemotiveerd zijn om zich in te zetten voor de ander, of zo wordt tenminste verondersteld. Bovendien wordt de vrijwilliger ook letterlijk in zijn blootje gezet: het zijn wezens met hun eigen seksuele behoeften. Achter het vernislaagje van beschaving schuilt nog steeds een dier. Het gedicht eindigt met de typische openingszin waarmee vrijwilligers hun ‘verkoopspraatje’ beginnen, nu geformuleerd als vraag naar de lezer toe. Dat de liefdadigheidsinstelling ‘Zonlicht’ heet, maakt het goede doel nog meer onbetrouwbaar. Licht verdraait immers de werkelijkheid. Zo wordt ook gesuggereerd wordt in de slogan van AUB, de regels ‘flatteus verlicht en charmant gekadreerd / alsof het privé is’ die, al dan niet in lichtjes gewijzigde versie, voortdurend opduiken in de bundel. Licht is een middel om de werkelijkheid mooier voor te stellen dan ze eigenlijk is,

Ook in […] ‘Bang voor de politie’ wordt een spel gespeeld met wat als werkelijk en normaal beschouwd wordt.

Uitpakken en opdringerig etaleren gaan over
in wegsteken en succesvol verdwijnen
(d.w.z. ergens naar buiten scheelkijkend schuilen).

De meeste getuigen passen zich
onaangedaan aan aan de opstijgende,
alles opvullende, snel opstijvende normaliteit.

Dan komt iemand van de veiligheid
met een zaklamp en een knuppel
die normaliteit vaststellen en het zekere
voor het onzekere met een dranghek.

  
[15]

Bogaert schetst een plek waar zich een verstoring van de openbare orde heeft voorgedaan. Maar ondanks die abnormaliteit die opduikt in de normale gang van zaken, doen de omstaanders algauw alsof er niets gebeurd is. Een veiligheidsagent komt ten slotte vaststellen dat alles oké is. Maar meteen roept die interpretatie vragen op. Heeft het licht van zijn zaklamp de normaliteit niet ‘flatteuzer verlicht’ dan die in werkelijkheid is? Is het niet de normaliteit die moet worden afgeschermd van het publiek door middel van dranghekken? En kan je dus wat als werkelijk of normaal wordt voorgesteld als een gevaar voor het publiek bekijken? Tegelijk reflecteert het gedicht over hoe betekenis, of wat we als waarheid of werkelijkheid beschouwen, tot stand komt: betekenis kan niet zomaar worden ‘uitgepakt’, maar speelt liever verstoppertje met de lezer. Die poëticale laag wordt nog versterkt, als je het gedicht naast volgende regels legt uit een gedicht in de cyclus ‘Handelaars bereikbaar’: ‘Er komt een hulptent op de plek, die komt nu overeind. / Je kunt flauwvallen van kijklustigheid / achter dranghekken van taal.’ [30] Is de dichter dus de veiligheidsagent die voor zijn publiek licht werpt op de wereld, en die werkelijkheid daardoor, paradoxaal genoeg, tegelijk vervormt en zichtbaarder maakt? Bogaert laat de vraagtekens staan in zijn poëzie.

Bij wijze van epiloog geeft Bogaert de lezer nog het interessante gedicht ‘Toespraak’ [40] mee. In dit lange gedicht expliciteert Bogaert de trucs die hij als dichter in de voorafgaande gedichten heeft toegepast, ‘(…) onder andere: / de truc van de herhaling en de terreur van het refrein. // Dat dat de vijver is waarin ik vis.’ [40]. Hij heeft, met andere woorden, over de manipulaties die de dichter-hypnotiseur heeft uitgevoerd in gedichten over manipulatie: ‘Ik zal u niet onthouden / dat ik u wil beïnvloeden.’ Maar nog steeds is het aan de lezer om zelf zijn weg te zoeken in de gedichten: ‘Ik zal het zelf niet zingen. / Ik zal u begeleiden. // (…) // Dan zal ik u laten zijn: de vedette!’ En net zoals een toespraak onderbroken wordt door ‘de kriebelhoest, een glas dat valt, een scheet / een microfoon die fluit, iemand die binnenkomt / of buitengaat door een gebrek aan lucht’, geeft het ook niet dat er af en toe een blinde vlek opduikt in een gedicht: ‘Een storing, dat kan altijd.’

De gedichten in AUB kan je dan ook blijven herlezen om nieuwe betekenissen uit te puren, of zoals Bogaert het in een ander gedicht uitdrukt: ‘Het doel van het spel / is het spel zo lang mogelijk rekken. // Na afloop zul je niet alleen zijn / zoals na een optreden, maar ook direct / terug in de wereldgreep van het nogmaals’ [29]. Maar tegelijk vergt de bundel zodanig veel inbreng van de lezer dat het risico op onverstaanbaarheid niet uit te sluiten valt. Met AUB schreef Bogaert ongetwijfeld zijn minst toegankelijke bundel tot nog toe. Dat meerzinnigheid aanleiding geeft tot spanningen tussen lezer en tekst, beseft de dichter zelf ook. In volgend gedicht uit de meest abstracte cyclus van allemaal, met de toepasselijke titel ‘Wrijvingen’, maakt Bogaert een analyse van de relatie tussen gedicht en lezer.

Een vingertop
die met een ooglid een oogbol politoert.
In het auditorium daarachter
een gijzeling van wat ons bezighoudt.

Hoe lang kun je een spontane
zijligging volhouden?

  
[34]

Het opent met het beeld van iemand die in zijn ogen wrijft om z’n vermoeide ogen en brein tot rust te brengen als pars pro toto voor de lezer. Ironisch genoeg grijpt Bogaert net dit beeld aan om een poëticale uitspraak te doen over hoe taal betekenis overdraagt. Als je je als lezer over het op het eerste zicht enigmatische beeld buigt, dan gebeurt er een gijzeling van betekenis in je brein, het ‘auditorium’ achter de ogen, waar als plaats van intellectuele arbeid betekenis wordt overgedragen. ‘Moeilijke poëzie’ geeft die betekenis immers niet zomaar uit handen. Dat impliceert dat heel wat inspanning wordt gevraagd van diegene die zich het gedicht buigt. De ’spontane zijligging’ van iemand die op bed, steunend op zijn elleboog, een gedicht leest, kan omslaan in oververmoeidheid en woordblindheid. In AUB wordt de lezer dan ook vergeleken met een bedelaar, die onvermoeibaar gedichten scant om er betekenis aan vast te knopen, zoals in ‘Toespraak’: ‘Ik zal u het prototype laten zijn van een bedelares / met afgetrapte schoenen, die prototypisch / van hier naar daar beweegt en dan terug, /stroef en koortsig tegelijk.’ [40]

In die zin kan de titel van Bogaerts bundel opgevat worden als een uitnodiging tot de lezer om op een actievere manier betekenis toe te kennen, om zelfbewuster om te gaan met de eigen positie als lezer en om kritischer te staan tegen wat zich meteen opdringt vanuit de taal en de werkelijkheid. AUB is dan ook een dichtbundel die de ogen opent om er meteen zand in te strooien, en vice versa.